De meeste concepten voor windenergiedaken zorgen niet voor meer windstroom langs de gewenste locaties, maar juist voor minder. Dit blijkt uit twee afzonderlijke onderzoeken.
Schaalmodel in de windtunnel bij Peutz bv. in Mook (Copyright: Van Hooff/Blocken/Aanen/Bronsema)
De faculteit bouwkunde van de TU/e voerde onder leiding van Prof.dr.ir. Bert Blocken, hoogleraar bouwfysica aan de TU/e en aan de KU Leuven, onderzoek uit naar de windstromen rondom verschillende varianten van een windenergiedak dat in 2005 is ontworpen door Ben Bronsema, op verzoek van Bronsema zelf. De onderzoeksgroep Urban Physics van Blocken richtte zich hierbij op onderzoek met computersimulatiemodellen; adviesbureau Peutz uit Molenhoek voerde de windtunnel-metingen op schaalmodellen uit.
Van dit ‘venturidak’ werden vier varianten getest, waarbij twee varianten schoepen tussen het venturidak en het gebouw hadden, terwijl één variant dit niet had (zie foto). De laatste variant betrof een model van hetzelfde gebouw zonder venturidak. De conclusie van beide, van elkaar onafhankelijke onderzoeken was dat alleen de variant met het venturidak zonder schoepen leidde tot een hogere windsnelheid vergeleken met het gebouw zonder een venturidak.
Het ‘zwevende’ venturidak van Bronsema is daarom het meest geschikt voor het winnen van windenergie. Blocken: ‘Hiertoe moeten dan verticaalassige windturbines worden geplaatst tussen het venturidak en het gebouw. Hoe groot de schoepen van deze windturbines moeten zijn, hoeveel windturbines er geplaatst moeten worden en hoe dicht deze bij elkaar gezet moeten worden, moet een vervolgonderzoek uitwijzen.’
Bron: www.technischweekblad.nl